Ik heb gelijk!

Zeker weten dat ik gelijk heb! Ik snap niet dat jij dat niet begrijpt. Goedschiks en anders kwaadschiks, ik zorg dat jij tot inzicht komt. Uiteindelijk zal jij me daar dankbaar voor zijn.

– Wat een guur weer, het wordt nu echt koud.
– Kom snel binnen. Heb je zin in hete thee?

– Lekker! Wat zijn er toch veel domme mensen.
– Oh, waar komt die overtuiging vandaan? Heb je een voorbeeld?

– Ja hoor. Vorige week kreeg ik een opdracht van mijn chef. Een uitgebreide klus. Om die goed uit te voeren ben ik zeker twee maanden bezig.
En verder…?

– Die baas van mij is zo ontzettend dom. Ik weet vanuit mijn jarenlange ervaring dat dit niet gaat werken. Dus ik ben nu overbodig werk aan het doen. Alsof ik niets beters te doen heb.
– Weet je dat zeker of denk je dat? Dan ga je dit toch met hem bespreken?

– Dat heeft helemaal geen nut. Hij is een absolute betweter, daar valt niet mee te praten. Hij is arrogant en kan niet omgaan met kritiek.
– Mhmm, weet je zeker dat het werkelijk zo is?

“ALS JOUW GELIJK GEEN RUIMTE MEER BIEDT VOOR HET GELIJK VAN DE ANDER” (ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de aanslag in Parijs, november 2015)

– Ja, zo zeker als een bom die knalt.
– Daar zit soms ook een blindganger tussen. Hoe blind ben jij in deze? Volgens mij ben je aan het projecteren.

– Hoe bedoel je?
– Jouw kijk op de werkelijkheid blijkt te botsen met die van de ander. Dat roept bij jou, in dit geval, heftige frustratie op. Je bent echter niet in staat om door middel van zelfonderzoek uit te zoeken waar deze frustratie vandaan komt. Maar je wilt wel dat dit verdwijnt. Daarom reageer je de frustratie af op jouw chef en noemt hem een betweter. Jij beschuldigt hem precies van dat wat jij eigenlijk bent.

– Dat is niet waar. Ik zal laten zien dat het niet werkt. Desnoods door eigen toedoen.
– Dat kun je toch niet maken? Wil je zo ver gaan?

– Waarom niet? Uiteindelijk zal hij mij dankbaar zijn.
– Het is geen kind waarvoor jij een beslissing uit handen kunt nemen.

– Klopt, maar het is wel voor een goed doel. Zoals mijn kind een jas aan moet om niet ziek te worden bij dit weer.
– Ja, stel dat ik dit nu ook tegen jou ga zeggen.

– Daar zit ik niet op te wachten! Ik neem ook aan dat jij dat niet doet want in mijn ogen is dat nogal kinderachtig.
– Je zegt het goed: ‘In jouw ogen’ is dat kinderachtig. Maar voorkomen dat iemand griep krijgt, is voor mij het allerbelangrijkste en daarom heb ik wat medicatie in je thee van daarnet gedaan. Zo weet je zeker dat jij niet ziek wordt.

– Wat zeg je nu? Ben je belazerd?!
– Waar maak jij je nu druk om? Jij zult mij dankbaar zijn dat je hierdoor niet ziek wordt.

– Dit meen je niet. Wie zegt dat ik griep krijg?
– Tegenwoordig kun je zo snel ziek worden. Nu hoef je daar niet meer bang voor te zijn. Het is voor je eigen bestwil.

– Is goed, is goed, je hebt mijn ogen geopend! Ik zal proberen niet meer te projecteren en te gaan onderzoeken wat er werkelijk dwars zit en dat op een volwassen manier gaan oplossen.
– Succes! En lukt het niet, dan help ik je graag.*